Ben Maratos

Gedichten

Verhalen

Bio

Tijdloze duinen

Een duinheuvel rijst hoog op uit het zand, bezien vanaf het strand. Helmgras zwaait mee met de wind en stuifzand danst op open plekken met de lucht naar de zee. Wolken schuiven voorbij als boten hoog boven het water zouden zweven om de schaduw te geven. Stralen spelen afwisselend in een gloed met de golven wanneer de zon zijn kans ziet door de gaten. Gekrijs van een meeuw die met zijn vettige snavel patatten pikt uit de vuilnisbak.

Een verdwaalde wolk is geladen en giet zijn verdriet in een harde windstoot, laat de tranen meevoeren en zet ze af tegen de enige wandelaar. Zoete tranen gaan over zijn lippen, maar hij proeft de zoute zeelucht. In zijn oren suist de wind en zorgen de constante slagen van de golven voor troost in zijn bestaan. Lopen laat zich bewaren voor later want de duinheuvel, het helmgras, de wolken en de zon verzorgen aangenaam beeld. Hij zoekt naar kalmering van een ziel zo zwaar als lood, met een kern van massa dat fuseert in een proces van vernietiging en creatie waar niemand een verklaring voor heeft. Hij is helemaal alleen en heeft niemand in het vooruitzicht op het delen van het fascinerende aangezicht.

De tijd loopt niet meer. De wind en de golven vervagen. De omgeving rondom de wandelaar is zwart. Een capuchon bedekt een hoofd zonder ogen, geen neus of oren. Een wazige mist in zijn gezicht bedekt de cruciale waarneming die langzaam zou sterven langs de kustlijn. De laatste tinteling vergaat met een druppel over zijn huid. De eenzame wandelaar kwijnt weg en verdwijnt.

Alleen nog het tafereel bestaat, de momentopname van de duinheuvel die nog enige blijk geeft van het bestaan van een siderische tijdlijn. Wellicht een kwestie van minuten of wel uren dat de willekeurige, altijd unieke bewegingen aanhouden van de wolken en de weerkaatsingen van het licht op het helmgras. De zon achter de wolken blijft op zijn plaats. Al versnelt ál het ander, de zon blijft altijd gelijk aan de hemel staan om te kunnen kijken met een oog als een schijnwerper.

Stilte heerst in de vooruitgespoelde tijd. Wolken worden rood van het schemerende soort en de duinheuvel staat alleen. Met het effect van verwering door de wind zakt het duin door midden en vormt al gauw een halve krater. Helmgras verdort en verdwijnt mee met het zand naar de grond. Stuivend gieren korrels over de randen die overeind blijven zonder gras, geen groen, enkel het doffe rood van de schemer in de onverplaatste zon. Het landschap ontketent zich achter de weggezakte zandvlakte. Brand woedt aan de horizon. Een eenzame boom gaat met zijn kale takken kort en vluchtig heen en weer.

Maar tijd keert om en wolken gaan in herhaling, net als het duin dat zich weer opbouwt en de lucht die een gebruikelijke kleur aanneemt. Helmgras zwaait weer waar het eerder wortels had. Tijd vecht met het achterhalen van zijn verleden en het natuurkundige feit dat er maar één weg mogelijk is; vooruitgang, veroudering, de dood en daarom verdoemd te mislukken.

Opnieuw een voorwaartse versnelling was dan ook onvermijdelijk en onontkoombaar. Het heden en de toekomst blijven vechten zoals planeten en manen soms tegen de wijzers van de klok in om hun as draaien. De zandheuvel brokkelt naar beneden met de brandende vlakten aan de horizon. Anders dan daarvoor gaat de tijd veel verder en verdwijnt de heuvel in zijn geheel.

Er steekt een hand uit het zand. Een begraven lijk, een kadaver, stoffelijk overschot, meer is het niet. Blauw en zwart in het gezicht, onherkenbaar in het proces van ontbinding. De versnelde verorbering bijt tot aan het bot waar het laatste haar op zijn schedel door de wind wordt bewogen voordat het kalk overgaat tot verpulvering. Verwering blaast het stof mee in een golvende dans. Verspreid zich over wat er is overgebleven van wat mensen ooit een strand zouden noemen.

Een laatste keer in een vluchtige strijd gaat de tijd achterwaarts zodat het zand met stuivende armen een heuvel bouwt. Het gefik in de verte zal doven en de snelle takken van de boom mogen opbloeien in het groen. Stof wordt verdorring waaruit het helmgras opnieuw ontspruit. Wanneer de tinteling van de druppel op de huid van de wandelaar terugkeert, slaan de golven boos en suist de wind. Gekrijs van de meeuw op de rand van de vuilnisbak. Alsof de wandelaar minuten lang zonder zuurstof zat, begint hij te happen naar lucht. Zijn hel blauwe ogen staan wijd open naar de lucht. Op zijn knieën, handen vegen over het zand, hijgend, snakkend naar adem.
Hij zag wat nooit iemand eerder heeft gezien.