Ben Maratos

Gedichten

Verhalen

Bio

Ons schilderij

Op de binnenplaats hoor je het monotone gezoem van de ventilator van de buren, een achteruit parkerende vrachtwagen, en het valse gekrijs van vechtende meeuwen om een open vuilniszak. Het zonlicht brandt op het dakleer, geen zuchtje wind zorgt voor verkoeling, en alle ramen van het herenpand staan wijd open.
Binnen in de verlaten ruimte zwiert een rokerige mist. Vanaf de muur kijkt een edelman uit over een bar bezaait met geplette bierblikjes en uitpuilende asbakken. Het goddeloze hert in ‘t houten kopstuk van de antieke jachtkast steekt zijn nek uit. Hij waakt over de ruimte met woeste ogen, alsof hij de gastheer en zijn gasten er van behoedt nooit meer nuchter te zijn. Mijn woonkamer.

De fluwelen velours die normaal de opening naar mijn slaapkamer bedekken, hangen half opzij. Een enkele streep licht komt vanuit de woonkamer het hok binnen en belicht een schilderij. Verder is het er donker, want de gesloten luxaflex voor het enige raam verbergt de kamer voor de morgenstond. Het is er broeierig als in een op mest gestookte sauna, geen kans om te ontsnappen voor de rufterige knoflook van de Turkse pizza die ik niet had moeten eten.

Met ogen als streepjes geopend, bekijk ik vanuit mijn twijfelaar het belichte schilderij. Mijn mond heb ik maar half geopend, want ademen door mijn neus gaat niet meer.
Een zurige scheut lucht borrelt vanuit mijn maag naar boven en drenkt mijn droge wangzakken. Ik slik het in en druk met mijn hand tegen mijn voorhoofd, alsof ik daarmee de herhaaldelijke messteken in de frontale kwabben van mijn brein kan dempen.

Gelukkig is het schilderij wél opgewekt, een klassiek kunstwerk van een boslandschap. Je hoort er de vogels in de bomen bijna zingen. Een schelpenpad loopt zigzaggend naar de horizon, maar waar het begint is onduidelijk door een stapel sokken op de kast. Langs het pad, tussen de dennen en de loofbomen, zit een jong stel in het gras. Zonlicht flikkert door de bladeren, het is niet te warm, en een zachte lucht komt hen tegemoet. Ze klinken hun glazen gevuld met witte wijn.
De jongen heeft blonde haren, flink gewit door de zomer, en vlak onder de mouwen van zijn shirt is te zien dat hij niet egaal gebruind is. Dromerig wrijft hij over zijn slordige baard en bekijkt lieflijk het meisje dat voor hem zit. Haar huid is zacht als mokka, donkerbruine haren dekken haar oren en hangen golvend langs haar wangen.
       ‘Zie je ‘m ook?’ giechelt het meisje, en wijst naar een eekhoorn die zich even stilhoudt op een boomstam.
       ‘Ik vind diertjes zo leuk. Ze doen niet alsof. Ze zijn gewoon zoals ze zijn.'
Met een knullige glimlach plukt hij voorzichtig een blaadje uit haar haren. Ze zucht, haar rustige ogen stralen, en haar lippen krullen als ze hem vol overgave kust. Het is een zoete zoen, nat en plakkerig van de lipgloss.
       ‘Zullen we door?’ fluistert het meisje in zijn oor.
       ‘Ik zal je meenemen naar de móóiste plek die ik ken,’ knikt de jongen vastberaden, waarna hij opstaat om
       alvast zijn fiets te pakken.

Vanuit mijn bed zie ik het stel wandelen tot aan de horizon, waar ze verdwijnen achter het schelpenpad. Het leidt hen door de duinen naar een afgelegen strand, waar ze hand in hand de hoogste duinheuvel beklimmen. Ze nemen plaats tussen het helmgras om uit te kunnen kijken over de kalme zee. Aan de kustlijn wandelen een paar mensen over de ribbels van het natte zand. Met nog zoveel aan elkaar te ontdekken, delen ze samen de muziek uit zijn oude mp3-speler. Na al vier keer alle vijfentwintig nummers te hebben beluisterd, gaat er nog maar één op repeat: "Sitting on a dock of a bay" wordt hún lied. Het meisje vindt het gefluit aan het einde het leukst, waarom weet ze zelf ook niet.
De hele middag zitten ze daar samen, alsof de dag nooit meer voorbij zou gaan. Maar na een tijd, als de wijnfles leeg is, steekt de wind op, en helpt de jongen het meisje overeind. Hij doet een stranddoek om haar schouders, kijkt haar aan en legt zijn hand op haar wang.
       ‘Weet je… toen ik je nog niet kende, was ik altijd alleen. En in de zomer kwam ik dan hier, dan zat ik precies hier, te dromen, met een blikje bier,’ zegt hij.
       Het meisje streelt zijn vingers.
       ‘Waar moest je toen aan denken?’
       Hij kijkt haar terneergeslagen in de ogen en zegt dan zonder twijfel:
       ‘dat ik hier ooit met jou zou zijn.’
       Hij vraagt zich af waarom er een traan rolt over zijn wang.
       ‘Maar ik ben er nu toch?’ Ze glimlacht en knijpt even in zijn duim.
       ‘Ga je dan nooit meer weg?
       ‘Dat kan ik je niet beloven lief.'
       'Maar ik wil op deze aarde nooit meer in mijn eentje zijn.’
       Even is het stil, en alleen nog de lage golven rollen zacht tegen de zandbank.
       ‘Ik zal voor altijd van je blijven houden,’ belooft het meisje met een glans in haar ogen.
       ‘Wil je dan op de terugweg mijn favoriete oma ontmoeten?’ lacht hij door zijn tranen heen.
       'Jouw oma? Nu?' gniffelt ze verbaasd.
       'Ze is één en al rust en vrede, no worries.'

Eenmaal op de fiets houdt ze hem stevig beet terwijl ze door de villawijk de heuvel afsjezen, de zomerwind ruist door hun haren. Bij een rotonde slaan ze linksaf de stoep op en parkeren de fiets tegen de muur van een kerk. Het avondgezang van de vogels galmt door de verse bloesem van de bomen die hun poriën openen. Door een hoge bakstenen boog lopen ze langs een bosschage een begraafplaats op, zonder na te denken, naar een grijze grafsteen met daarop een Engelstalig gedicht van Mary Elizabeth Frye – “Do not stand at my grave and weep."
       'Dit is mijn oma. Ik weet zeker dat ze jou ook heel leuk had gevonden.'
       Ze houden zich even stil voor het graf.
       'Zeg haar maar gedag, Virginia heet ze,' zeg ik grinnikend.
       'Hoi oma Virgie!' roep je giechelend als een blij ei terwijl je naar haar grafsteen zwaait.

Een diepe melancholie steekt als een dolk in mijn borst voor alle keren dat ik je heb aangekeken. Plots schiet mij te binnen dat ik de rest van de nacht op het Perzisch tapijt voor de jachtkast had gelegen, nadat mijn laatste bezoek al was vertrokken. Als een troosteloze baby had ik op de grond liggen schokken van de zielenpijn. Nat en klam zijn de lakens, zuur ruikt mijn oksel. Ik kom overeind, veeg de stapel ongesorteerde sokken naar de grond om het begin van het bospad te onthullen, en plof weer neer op het bed.

Net als nog maar een zomer geleden openen mijn handen de deuren naar het balkon om het ochtendlicht in onze slaapkamer te verwelkomen. De schone lucht verfrist de kamer, en onze kat glipt langs mijn benen naar buiten. Het is nog niet zo warm, we knuffelen even op bed terwijl we samen luisteren naar de nachtegaal en daarna naar de merels die zingen. Door de ramen zien we onze kat waakzaam op de balkonrand liggen te loeren naar de vogels.
Ik sta op om ontbijt voor ons te maken, en pak mijn rugzak in met lunch en wijn, want we gaan straks lekker op de fiets naar het strand.
Ver weg, alleen jij en ik, opnieuw op ontdekking naar elkaar.

Vanuit de woonkamer betreedt een rokerige zwavel walm het hok. Er klinkt vaag geroep vanuit de binnenplaats van een man die eeuwig staat te laden en lossen, de vrachtwagen heen en weer, het gepiep aan en uit. Valse meeuwen krijsen het uit en pikken met hun snavels naar de grijze lucht op een leeg strand. Het hert in het voetstuk van de kast steekt zijn nek uit, en graast de filters uit de asbak op de bar alsof het grassprieten zijn. De edelman op het schilderij verduistert langzaam terwijl het zonlicht versneld voorbij trekt. Het monotone gezoem van de ventilator bij de buren raast versterkt door mijn hoofd en daarna als een tornado naar mijn keel. Watervallen groeven rivieren in valleien, brokstukken graniet breken af en vallen in mijn maag.
Ik wil niet meer janken om het verlies aan de kant van het graf dat ik zelf gegraven heb.
Iedere dag dat ik wakker word, en ik bekijk ons schilderij, zal ik hetzelfde verhaal maken.
Tot je terug bent.