Ben Maratos

Gedichten

Verhalen

Bio

Deel III: Schaduwman

In een bruine hoek aan de voorkant van het café, bij het grote raam aan de straatkant, zit een man alleen aan tafel. Vóór hem staat een halve liter pils en een bakje met noten. Hij draagt een gitzwarte jas met capuchon strak om zijn hoofd getrokken.

Zijn doorzichtige, witgrijze huid geeft licht vanonder zijn capuchon, en zijn hoofd wijst naar de tafel waardoor je zijn ogen niet kunt zien. Hij tikt neurotisch met zijn middelvinger tegen een bierviltje dat met elke tik een halve pirouette maakt. Aandachtig luistert hij naar het gesprek van twee mannen aan de bar die hem de rug geven.

‘Er ligt een fortuin begraven onder het Haagse duinzand!’ roept Harrie met zijn gerimpelde hand strak om zijn flaasje heen. Zijn dunne, grijze haren staan gepikeerd overeind. Blauwe ogen kijken, ze zijn nog kleiner en troebeler dan normaal, naar zijn gesprekspartner, Bartolemus, die net als Harrie in de zeventig is. Maar die luistert niet, hij zit in zijn eigen roes.
‘Luister Harrie, ik heb een raadsel… er is een aangeschoten lesbische poes…’.
Harrie laat zijn eigen idee geagiteerd varen, en wil niet weten wat de punchline is van de typische grap die komen gaat.

Bartolemus, die net een slok neemt, heeft iets weg van kabouter Spillebeen. Niet door zijn lengte, maar door zijn puntige grijze baard, krakerige hoge stem, en stok dunne benen. Het schuim hangt nog in de haren van zijn snor en deels in zijn baard, smakt even om de slok La Chouffe te laten wegzinken in zijn droge snuit, en vervolgt dan:
‘en de lesbische poes… die wil geen kater!’ hij giert en brult van het lachen om zijn zelfbedachte raadsel, slaat zelfs een paar keer met zijn platte hand op het puntige dek van de lekmat op de bar.
Harrie staart voor zich uit met zijn kleine troebele ogen.

‘Bartolemus,’ zegt Harrie als zijn vriend is uitgegierd, ‘ik heb plannen met de schatten onder het Haagse duinzand. We gaan de oude bunkers uitgraven en ombouwen tot “bunkerlows”. We brengen ze terug naar hun originele staat en verhuren ze in de zomer aan Duitse toeristen. Mijn vader zou trots zijn als het me lukt. Ooit gebouwd door Duitsers en nu verhuurd aan Duitsers, voor eigen gewin. Een bunkerlow voor de hele familie; oma, vader, moeder en de kinderen. Waar normaal gesproken het mitrailleurnest had gezeten, kunnen we plastic machinegeweren plaatsen zodat de Duitse kinderen lekker met oma een invasie van de geallieerden kunnen naspelen. Dat maakt het concept ook meteen heel educatief’.

Plots beginnen de glazen op de bar te rinkelen, lichten te knipperen. De spanning komt van de man met de zwarte capuchon alleen aan tafel. Harrie, Bartolemus en alle overige gasten zien hoe de man op tafel is gaan staan. Hij heeft geen ogen in zijn lichtgevende, witgrijze gezicht, alleen uitgeholde gaten. De schaduw komt eerst naar buiten kruipen en daarna als zwarte paarden zijn schemerende holen uit galopperen.

De beweging van zijn hoofd bepaalt de duisternis in de ruimte. De schaduw beweegt mee als een zwarte golf wanneer hij rondkijkt opdat alle gasten geschrokken omlaag duiken – met hier en daar een hoge kreet – om de duisternis te ontwijken. Harrie en Bartolemus zitten gebukt op hun kruk. Met strak gesloten ogen pakken de twee vrienden elkaar stevig beet, vrezend voor hun leven.

En de man stapt van de tafel en verlaat het café door de klapdeuren zonder te betalen, neemt de duisternis met zich mee. De twee oude mannen en alle overige gasten komen gestaag overeind. Iedereen vraagt zich verwonderd af wat hen zojuist is overkomen.
Maar buiten op straat, voor het grote caféraam, zien ze de mysterieuze man blijven staan, zijn gapende holen gericht naar binnen. Hij strekt zijn witte, dunne tengels voor zich uit, zijn nagels zijn gelig en lang, en stijgt langzaam omhoog, hovert met zijn voeten boven de straatstenen.

Het raam begint plots plastisch te golven. De stoelen en tafels, alle barkrukken in de ruimte vliegen naar de muur, alsof ze worden gegrepen door een krachtige magneet. In de heibel van het moment raakt de poot van een kruk Bartolemus op de slaap, hij zakt bewusteloos naar de grond. Flessen en glazen achter de bar rinkelen van de planken en spatten een voor een uit elkaar. Na een laatste sierlijke golf van boven naar beneden klapt het glas van het caféraam in honderden stukken, die regenen omlaag. De krukken en stoelen, nog geplakt aan de muur, rommelen naar de vloer.

De man in zijn gitzwarte jas zet zijn voeten weer aan de straatstenen, en fluit schel op zijn vingers. Een donker paard met rode ogen komt het straatlicht in galopperen. Hij wijst met zijn gelige, lange nagel naar Harrie en daarna naar Bartolemus op de grond.
In een sprong bestijgt hij het dier en verdwijnt in de nacht.